Repeterende patronen
Een cultureel-mentale en politiek-kerkelijke geschiedenis van de stad Kampen

Vanwaar de titel 'Repeterende patronen'?

Kampen is de stad van mijn ouders en die van mijn grootouders, van mijn overgrootouders en van generaties daarvoor. Mijn voorouders werkten er onder meer in de sigarenindustrie, waren visser of zij droegen turf. Net als het gros van de Kampenaren waren de meesten 'arbeiders', niet bepaald rijke mensen dus. In de overbevolkte stad was het voor hen in doorgaans slechte behuizing en met erbarmelijke hygiënische omstandigheden hard knokken om het hoofd boven water te houden. Het Kamper proletariaat moest bovendien geregeld vrezen voor behoud van baan en inkomen. Generatie op generatie: repeterende patronen. 

Mijn voorouders waren protestants-christelijk. De één was wellicht wat rechter in de leer dan de ander, allen waren aanhangers van de leer van Calvijn. Niet 'rooms' dus of behorende tot een van de 'alternatieve' protestantse denominaties, zoals de doopsgezinden en de luthersen. Net zoals de meeste Kampenaren waren zij 'hervormd' of 'gereformeerd'. In die kerkgenootschappen rommelde het nog wel eens, met alle gevolgen van dien. Er werd in de loop der tijd wat afgescheiden, gedoleerd en vrijgemaakt. Niet het minst in Kampen. Generatie op generatie: repeterende patronen. 

De laatste decennia is de Kamper samenleving enorm veranderd. De bevolking is onmiskenbaar 'moderner' geworden. De jongeren spreken geen 'Kampers' meer en de tijd dat geboren Kampenaren 'elkaar door en door kenden', zoals de godsdienstsocioloog P.H. Vrijhof in 1957 nog beweerde, is voorgoed voorbij. Gedurende de negentiende en een groot deel van de twintigste eeuw kenmerkte het karakter van de Kampenaren zich vooral door een geestelijk isolement. Daardoor, aldus Vrijhof, 'bleef een zekere achterlijkheid in ontwikkeling en belangstelling bestaan'.1 Generatie op generatie: repeterende patronen. 

Ondanks de hierboven benadrukte 'repeterende patronen' op sociaaleconomisch, politiek-kerkelijk en cultureel-mentaal vlak: Kampen is de afgelopen twee eeuwen zeker niet alleen de stad geweest van een orthodox-protestants proletariaat dat in het zweet des aanschijns het brood at en dat naar verluidt minder ontwikkeld was. De verhalen over de (vermeende) domheid van de Kampenaren uit vroeger tijden - de zogeheten 'Kamper Uien' - kunnen ook niet worden gekoppeld aan die van de inwoners uit de moderne tijd. Op dat punt geen repeterend patroon, omdat het gros van de huidige Kampenaren niet (direct) afstamt van de roemruchte Kamper bevolking uit de Middeleeuwen - die van de Hanze en de Koggen - en/of die uit de vroegmoderne tijd. Spijtig voor de meeste nazaten van de families Van de Belt, Van Dijk, Van (de of 't) Veen en Van de(r) Weerd, hun voorouders zijn getuige de oorsprong en de betekenis van de achternaam naar alle waarschijnlijkheid pas later naar de stad Kampen getrokken. 

De stad heeft generatie op generatie nieuwkomers 'verwelkomd' die in de meeste gevallen op den duur hun (eigen) plaats hebben veroverd. Op dat punt is er dus wel weer sprake van Repeterende patronen. Niet zelden waren het mensen op zoek naar een betere toekomst. Zoals in de eerste helft van de negentiende eeuw de landarbeiders en keuterboertjes van de Noordelijke Veluwezoom die door schaalvergroting en efficiënter werken in de landbouw op hun marginale (marke)grondjes niet meer voldoende middelen van bestaan konden genereren. Of de Schokkers die zich in 1859 noodgedwongen in Kampen vestigden. Het Kamper stadsbestuur zag ze liever gaan dan komen.

Maar niet alleen 'arme sloebers' kwamen naar de stad. Omdat Kampen door de inkomsten van de verpachting van Kampereiland niet of nauwelijks gemeentelijke belastingen hoefde te heffen, was de stad in de lange negentiende eeuw ook een interessante vestigingsplaats voor renteniers. Per schip en later ook per trein was Kampen goed bereikbaar en het was er nog relatief goedkoop wonen ook. Dat was ook de voornaamste reden dat in 1854 de Theologische School in Kampen werd gesticht. Een paar jaar ervoor (1851) had de stad weer militairen kunnen verwelkomen. Het 'Instructiebataljon' leidde jongens in de leeftijd van 16 tot 18 jaar op tot onderofficier. In 1877 kwam daar de tweejaarlijkse 'Hoofdcursus' bij waarin jongemannen opgeleid werden tot officier. 

Binnenkort meer.


 



  

1 Handboek Pastorale Sociologie, onder redactie van Prof. Dr. W. Banning, deel IV, 'Kampen: oude stad met nieuwe toekomst', 230-248, aldaar 232-233.